Woensdag 23 juni vond tijdens het keiroze schrijversdebat met Minke Douwesz, Vinco David en Adriënne Nijssen, eveneens de prijsuitreiking plaats van de gedichten- en verhalenwedstrijd met als thema 'Andersom'. de eerste prijs bij de verhalen werd gewonnen door Kirsten Kamphuis, de eerste prijs bij de gedichten door André Heijnekamp. Lees de winnende verhalen en gedichten.
De 1e prijs is gewonnen door : Kirsten Kamphuis
met het verhaal :
De dag na Hemelvaart
Ze moet de enige in de hele stad zijn die haar fiets niet op slot zet. En dat is dan ook meteen alles wat ik van haar weet – dat ze een roestig barrel uit het rek trok, en net toen ik dacht dat ze zonder een woord weg wilde fietsen, zachtjes vroeg of ik kon springen. Ik geloof dat ze bruin haar heeft, halflang, maar ik kan me vergissen. Tussen mij en de wereld zat gisteravond een dik scherm van rum en rook.
Het is lekker warm hier, onder haar dekens, in de holte van mijn eigen arm. De rolgordijnen zijn omhoog getrokken. Dat moet ze heel zachtjes gedaan hebben. Ik kan me er nog niet toe brengen om op te staan. Mijn huid, die nooit zo goed tegen sigarettenrook kan, smeekt om water en een dure douchecrème. Maar daarmee zou ik de sporen uitwissen: het restje lippenstift dat ik nog kan proeven, een verdwaalde wimper op mijn wang, en vooral haar geur. Die is overal.
Gisteravond begint heel langzaam weer vorm aan te nemen, maar telkens als er bijna een beeld voor mijn ogen verschijnt, verdampt het weer. Ik leg mijn hand op mijn onderbuik en kijk naar mijn tenen, die wiebelen onder het groene laken. Het raam laat niets anders zien dan voorzichtig blauwe lucht. Dit is wel mijn stad, toch? Als we met de trein waren gegaan, zou ik het me wel herinneren, of niet soms? Ik rol over haar silhouet heen, dat nog met dunne streepjes in het laken staat geschetst, en ga voor het raam staan. Mijn lichaam voelt zich thuis hier.
De grijze toren in het midden van het plein licht aarzelend op onder de beginnende dag. Ik kan het park zien liggen.
Dan hoor ik haar stem weer. Dat ik fijn moet blijven liggen, dat ze zo terug zal zijn.
In haar boekenkast wonen schrijvers die ik niet ken. Ik pak een willekeurig boek van een plank, een met een dieprode kaft, en lees mezelf hardop drie regels voor. Mijn stem klinkt onwennig in deze ruimte, al weet ik dat ik vannacht ook gepraat heb. Ik fluisterde korte woordjes. Niet haar naam, want die ken ik niet. De haartjes op mijn arm gaan overeind staan bij dat besef. Met een gloeiend gezicht pak ik een badjas van een haakje en snoer de ceintuur stevig vast. Mijn ogen gaan de kamer rond, op zoek naar foto’s, maar die zijn er niet. Achter de deur van haar kledingkast vind ik een heleboel groen en blauw, en een dun zijden sjaaltje waar een bekend parfum in hangt, maar geen gezicht. Ik laat mijn hand door de opgehangen kleding gaan. De kleerhangers geven een privéconcert, speciaal voor mij.
Op de tafel in de woonkamer staat een bos gele tulpen, die hun kopjes laten hangen. Ik loop naar het keukenblok – mijn voeten protesteren telkens als ik ze losmaak van de warme houten vloer – en laat de kraan eventjes lopen, voor ik een glas vul. Dan realiseer ik me dat ik niet wil drinken, want ik kan haar nog proeven, heel in de verte. Ik giet het glas leeg in de vaas.
Ik loop hier niet zomaar doelloos rond, ik geef de planten water. Nu kan ik mijn schouders wat ontspannen. Het voelt of ik op ontdekkingstocht ben, op een missie om verloren tijd te reconstrueren. Uit een bak, die in de hoek van de kamer staat, klinkt geschuifel. Daar ligt een pluizig wit bolletje met grote ogen, die me aankijken alsof ik een grote, gevaarlijke vos ben. De oortjes van het konijntje zijn niet groter dan mijn pink. Als het een schildpad was, zou het nu vast zijn kop intrekken.
Ik kriebel het beestje in zijn onzichtbare nek. Hij knijpt zijn ogen half dicht. Even verbeeld ik me dat ik hem hoor spinnen, maar dat kan natuurlijk niet, dat doen katten alleen.
Het licht valt in strepen op haar bureau, dat voor het raam staat. Kleine flintertjes stof zweven langs de gordijnen. Het blad is leeg, op een collegeblok en een stapel tijdschriften na. Ze lijkt me iemand die studeert, die weet wat ze wil. Gisteravond wist ze dat in ieder geval wel. Mijn ademhaling wordt dieper bij de herinnering aan haar vingers, en nog steeds kan ik haar gezicht niet voor me zien. Wel haar armen, die bij de schouders bedekt waren met sproetjes, alsof iemand er confetti overheen gestrooid had. En haar buik, die zacht was, met een perfect rond kuiltje in het midden.
Vannacht heb ik haar buik gevoeld, legde ik mijn hand op haar rug en volgde ik met mijn vinger de lijn van haar wenkbrauw. Dat weet ik allemaal nog. Al haar delen herinner ik me afzonderlijk, maar ik kan al die stukjes niet aan elkaar lijmen tot één meisje: hoe kan ik weten dat ik haar niet verzonnen heb? Lag ze daar echt, naast me in dit vreemde huis? Dit is pure zelfbescherming. Daarom reduceert mijn hoofd haar tot deeltjes, als atomen uit de exacte wetenschap die ze vast bestudeert.
Om de duizeligheid die langzaam maar vastberaden bezit neemt van mijn hoofd te blokkeren, loop ik weer naar de hoek. Ik plaats mijn trillende hand onder de buik van het konijntje en til het diertje op, druk het even tegen mijn borst aan – ik voel zijn hartslag, die nog sneller gaat dan de mijne – en zet het op tafel. Het konijn snuffelt wantrouwig aan een tulp en hupst een rondje om de vaas. Ik hou mijn vinger voor zijn rusteloze neusje. Bijt maar, moedig ik hem aan, omdat ik zo stom ben geweest om me hier naartoe te laten brengen. Misschien moet ik mijn kleren bij elkaar sprokkelen en op zoek gaan naar het dichtstbijzijnde tramstation. Maar ik ben bang dat ik er dan achter zal komen, dat ze de deur achter zich in het slot heeft laten vallen.
Het slot antwoordt met een droge klik. Voor ik het konijn terug kan zetten in zijn hok, voor ik de badjas glad kan strijken en mijn haar een beetje toonbaar kan maken, staat zij daar.
Het is of er een film begint in mijn hoofd, heel snel vooruit gespoeld. De hele avond, de hele nacht, in technicolor, en zonder krasjes op de spoel. Zij was het. Haar haren zijn zwart en kort, haar nagels rond gevijld. Haar armen omklemmen nu een grote boodschappentas, en ik weet weer precies hoe het voelde toen ze mijn middel omvatten.
Met een klein lachje zet ze de tas op de grond.
“Je voelt je al thuis hier.”
Ik word omver geblazen door haar stem en kan niets anders doen dan grijnzen. Ik knik half.
“En je bent zelfs al vriendjes geworden met Marcus,” gaat ze verder, terwijl ze naar het konijn wijst. Ze zet een paar passen in mijn richting – het is of mijn hele lichaam meetrilt bij elke stap – en steekt haar hand uit. Ze noemt een naam die ik meteen kan horen rondzingen in mijn hoofd.
Eindelijk heb ik mijn spraakvermogen weer terug. Ik zeg mijn naam, die oneindig belachelijk lijkt tegenover die van haar, en vraag: “Gaat het niet meestal anders? Eerst voorstellen, dan …..”
Ik gebaar hulpeloos in de richting van de slaapkamer, waar de omgewoelde lakens onbewogen op het bed liggen.
Weer dat scheve glimlachje. “Wij doen het andersom.”
De boodschappentas zit vol met broodjes en vers sap, en de ochtend is gevuld met zoenen. En vooral met zon, heel veel zon.
Juryrapport: |
Het mooie van dit poëtisch geschreven verhaal is dat de hoofdpersoon zowel een vrouw als een man kan zijn. Hierdoor is er een grote mate van herkenbaarheid en wordt het thema ‘Andersom’ niet alleen beleden in de tekst. De titel, de openingszinnen en de opbouw van het verhaal geven daarnaast blijk van het feit dat hier een ‘volwassen’ schrijver aan het woord is. Hij/zij weet hoe het werkt. De gekozen woorden zijn mooi, zonder pretentieus over te komen. Kortom in meerdere opzichten de winnaar.
2e prijs is gewonnen door: Aedin Mugain
met het verhaal;
Meisje Ana
‘En als ik een man was geweest, had je dan wel van me gehouden?’
Ze vroeg het meer aan zichzelf dan aan mij.
Ik wilde met mijn vingers door haar lange haar kroelen en zeggen dat het goed kwam. Het zou niet meer goed komen.
Ze zat in mijn favoriete stoel, met haar armen om haar opgetrokken benen geslagen.
Ze was zo mooi. God, wat was ze mooi. Mijn meisje, in haar pyjamabroek met het te korte hemdje dat de zijkant van haar borsten bloot liet.
Het mooist waren haar tepels die ik, ook nu ze bedekt waren, voor me zag. Ieder plekje van haar lichaam kon ik uittekenen maar haar tepels het allerbeste. Ze waren perfect van vorm. Jaloersmakend.
Ik moest mezelf dwingen om mijn ogen van haar af te trekken en me te concentreren op de titels en plaatjes.
Hoe lang stond ik al voor deze kast? Honderden cd’s voor mijn neus en ik wist niet welke te kiezen. Geen enkel stukje muziek dat paste bij mijn stemming. Al dagen had ik niets meer geluisterd. En toch had ik zo’n ongelofelijke behoefte aan muziek nu.
Mijn hand bleef hangen bij Disintegration van the Cure. Als ik wilde verzinken in nog meer triestheid en duisternis moest ik die cd vooral niet kiezen.
No means no, was een beter idee. Ik grinnikte in mezelf.
‘Jij en je muziek.’ Ze was ongemerkt achter me komen staan en sloeg haar armen om mijn middel. De kou van haar handen trok door mijn buik.
‘Ik wou dat ik je muziek was.’ Ze legde haar hoofd tegen mijn rug.
Waarom was ze zo lief?
“Niet nu, Ana, ik kan het niet meer.” Alweer voelde ik me te ruw en te grof.
Haar grip verstevigde.
Twee meisjes in een honingzoete musical waren we geweest. Zo mooi is het dus om met een vrouw samen te leven, dacht ik. Haar wansmaak op muzikaal gebied vergaf ik haar.
De gedaanteverwisseling was heel geleidelijk gegaan. Anderen hadden het in de gaten gehad. Ik niet.
“Je bent veranderd.” Ik had het te vaak gehoord en het te vaak niet willen geloven. Totdat ik op een ochtend wakker was geworden en me had afgevraagd waarom er
geen lul tussen mijn benen bengelde.
‘Zijn die verhuisdozen stevig genoeg om cd’s in te vervoeren?’, had ik een aantal uren later aan mijn collega gevraagd.
“Vanavond vertrek ik.’ Met die woorden schudde ik Ana als een halsband van me af.
Deze plek was niet de mijne. Hier was ik in de jongen veranderd die ik niet wilde zijn.
Ik had het zo geprobeerd, zo mijn best gedaan.
Vechten kon ik, opgeven niet. Om uit de ring te kunnen stappen had ik mezelf in de laatste ronde knock-out moeten slaan.
Zonder na te denken trok ik een booklet uit de kast. Ik had mijn keuze gemaakt.
Muziek voor bij mijn zwarte workers broek van vandaag.
Eerst morgen zou ik mijn fuchsia jurk dragen. Die met de bloemetjes.
Juryrapport:
Een verhaal met een openingszin die je meteen ‘bij je strot pakt’. Dit verhaal toont de kracht van de schrijfster omdat zij in een klein verhaal, waarin geen woord teveel of overbodig, een groot achterliggend drama neerzet.
3e prijs is gewonnen door: Rosanne de Vries
met het verhaal:
Schuldig aan de liefde
´Schuldig´, bulderde de rechter, terwijl hij de hamer dreigend in de lucht hief.
´Rechter, laat het me uitleggen´, probeerde ze nog, maar het was te laat. Met een harde dreun kwam de hamer neer. Het vonnis was definitief, de straf levenslang. Levenslang zou ze worden nagewezen, levenslang zou ze worden uitgejouwd, levenslang.
Ze was zich nog steeds niet bewust van wat ze had misdaan, ze had haar gevoel gevolgd. Terwijl iedereen deed wat er van hem of haar werd verwacht, was zij een andere weg ingeslagen. Ze voelde zich niet aangetrokken tot vrouwen, dat had ze van jongs af aan al geweten. Toch was ze altijd te bang geweest om ervoor uit te komen. Het was een groot taboe om een relatie met iemand van het andere geslacht te beginnen, en dat was nog zacht uitgedrukt, het was ronduit verboden. Het lukte haar lange tijd om haar afwijkende gevoelens voor de buitenwereld te verbergen. Ze koos ervoor om alleen te blijven. Ze was liever alleen dan in een relatie met iemand waar ze geen diepgaande gevoelens voor koesterde. Samenzijn met een vrouw kon haar niet het geluk brengen waar ze zo naar verlangde.
Het alleen blijven, maakte haar leven leefbaar. Wel ontstond achter haar rug de vraag waarom zij nog op zichzelf was en nog niet met iemand samen. Hoezeer de mensen zich dit ook afvroegen en erover praatte en roddelde, er ontstond geen duidelijkheid, ze kregen geen antwoord op hun vragen. Uiteindelijk verdween het langzaam naar de achtergrond, waar het stilletjes aanwezig bleef in de achterhoofden van de mensen.
Haar leven was leefbaar, leefbaar tot die ene dag, de dag dat ze hem voor de eerste keer zag. Vanaf hun eerste oogcontact was ze verloren, haar hart sloeg over, haar adem stokte, ze was op slag verliefd. Hetgeen waar ze altijd naar op zoek geweest was, was haar overkomen, het was evenzeer hetgeen ze altijd had gevreesd. Ze probeerde haar gevoelens te onderdrukken, maar diep van binnen wist ze dat ze dit niet lang ging volhouden, haar hele lichaam schreeuwde om hem, zijn aanwezigheid, zijn aanraking, zijn armen om haar heen, zijn lichaam tegen dat van haar. Bij hun tweede ontmoeting wist ze het zeker, ze kon niet meer bij hem vandaan blijven, ze wilde niet meer zonder hem leven. Ze wilde bij hem zijn, wat de gevolgen daarvan ook waren.
Ze besloten er samen voor te gaan, in het geheim, verscholen voor de buitenwereld. Zonder dat iemand het wist zagen ze elkaar bijna elke nacht. Terwijl de wereld sliep en iedereen in bed lag, zochten zij elkaar op. In eerste instantie waren ze alleen samen op verborgen locaties en in verscholen ruimtes. Ze waren te bang dat ze samen gezien werden. Ze waren zich beide bewust van de mogelijke consequenties, maar na verloop van tijd durfde ze in de nacht gezamenlijk naar buiten te gaan. Vaak gingen ze naar het strand, de plek waar ze zich beide vrij voelde en konden laten gaan. Daar ontdeden ze zich van hun zorgen en angsten. Met ontblote lijven rende ze lachend en uitgelaten door de branding, genietend van het opspattende water. Het licht van de maan verlichtte hun lichamen. Stoeiend begaven ze zich van het water naar het strand. Ze bedreven de liefde, onder het toeziend oog van de maan, hun stille getuige. Op deze momenten besefte ze hoe goed het voelde om echt te leven, om te doen wat ze werkelijk wilde, om haar gevoel te volgen, zonder dat ze zich iets aantrok van het voorgehouden keurslijf.
Elke ochtend voor het ontwaken van de zon zochten ze hun eigen woning weer op, zodat niemand zou weten dat ze samen de nacht hadden doorgebracht. In het donker wandelde ze naar haar huis. Ze kende de weg met haar ogen dicht, zo vaak had ze deze route gelopen. Elke bocht en iedere kuil waren haar bekend. Zonder enig geluid te maken vond ze haar weg, als een onzichtbare schim verplaatste ze zich door de nacht.
Er waren meer mensen die ervoor kozen voor hun ware gevoelens uit te komen. Op den duur ontstonden er zelfs geheime bijeenkomsten voor heteroseksuele mensen. Ze besloten naar een bijeenkomst te gaan, omdat ze zo graag in het openbaar openlijk samen wilde zijn. Overdag was dit uit den boze, het was te gevaarlijk. Er kon altijd iemand zijn die melding maakte van hun overtreding, en dat kon destrastreuze gevolgen hebben. De samenkomsten waren kleinschalig, bij iemand thuis. Iedereen wist dat het risico´s met zich meebracht, maar het verlangen naar openbaar samenzijn won het van de angst. Het samenzijn was voor haar een droom die uitkwam. Met een klein gezelschap dronken ze een drankje en luisterde ze naar muziek. Ze deelde gevoelens en ervaringen. Haar hart bloeide op. Ze waren niet de enige, ze waren niet abnormaal. Het enige verschil tussen hen en de “normale mensen” was het feit dat ze op het andere geslacht vielen, wat maakte het eigenlijk uit? Hoe konden mensen er een probleem van maken? Iedereen zou toch zelf de keuze moeten mogen maken? Toch was het allemaal niet zo gemakkelijk en vanzelfsprekend. Het overgrote deel van de bevolking was homoseksueel, het was ongepast om met iemand van het andere geslacht samen te zijn. Er waren strenge wetten opgesteld om dit te voorkomen. Heteroseksuelen die hand in hand op straat liepen werden opgepakt en berecht. De veroordeling was meestal levenslang. Maar er was altijd nog de mogelijkheid om deel te nemen aan de kerkelijke bijeenkomsten om te genezen van je heteroseksualiteit. Ze begreep dit niet, waarom hadden mensen zoveel moeite met deze uiting van liefde?
Haar leven was goed, ze was zo gelukkig als ze in deze samenleving kon zijn. Met regelmaat bezochten ze de bijeenkomsten. Ze maakte vrienden, ze hadden een echt leven samen. Tot die ene dag aanbrak, de dag die ze al zo lang vreesde. Ze waren met een groepje mensen samengekomen, het was gezellig. De muziek stond zachtjes, de aanwezige spraken op fluistertoon. Alle maatregelen waren getroffen om niet betrapt te worden. Toch ging het die nacht mis. Voor ze het wisten stonden er dienders in de ruimte, uit het niets waren ze binnengekomen, ze hadden het niet horen aankomen. Even probeerde ze te vluchten, of zich gezamenlijk te verzetten tegen de rechtelijke macht. Maar ze hadden geen kans, de dienders waren gewapend, ze moesten zich wel overgeven. Ze werden naar buiten geëscorteerd, de buurt was uitgelopen om te zien wie er werden opgepakt. Met regelmaat werden er personen opgepakt, de mensen uit de buurt smulde ervan. Toch waren er mensen die openlijk commentaar hadden op de manier waarop er met heteroseksuele personen werd omgegaan. Zij vonden dat iedereen vrij moest zijn in zijn of haar keuze voor een partner, en zij vonden het onaanvaardbaar dat de samenleving deze keuze voor veel mensen beperkte. Zij begrepen dat je als heteroseksueel niet gelukkig kan worden in een relatie met iemand van je eigen geslacht. Toch kregen deze mensen nog niet veel gehoor. Als ze hun zorgen en hun mening te hard rondbazuinden, werden zijzelf ook opgepakt en berecht. Op weg naar buiten werd er naar haar en de anderen gewezen, er werden leuzen geroepen. Met zijn allen werden ze in een klein busje geladen. Vanachter het raam keek ze naar de mensen op straat, de haat was in hun ogen te lezen. Ze begreep niet waar dit vandaan kwam. Wat hadden deze mensen met haar liefdesleven te maken? Wat kon het hun uitmaken of ze met een vrouw of met een man samen was? Waar maakte deze mensen zich druk over? Er waren zoveel vragen in haar hoofd, de antwoorden ontbraken, ze begreep totaal niet hoe deze personen dachten.
Wat zou er nu met haar gebeuren? Ze zouden haar proberen te bekeren, haar proberen op te sluiten in het klaarliggende keurslijf. Maar wat ze ook zouden proberen, het zou haar ware aard niet kunnen veranderen. Ze was heteroseksueel geboren en zo zou ze uiteindelijk sterven. Het was tijd om te vechten, te vechten voor haar manier van leven, beginnen het verschil te maken!
Juryrapport:
Er zijn veel verhalen binnen gekomen waarin het thema ‘andersom’ op deze manier is uitgewerkt. In dit verhaal is dat het beste gelukt. Wisseling van perspectief (Andersom), illustreert de maatschappelijke problemen. Ook hier zijn de titel en de beginzin belangrijk. Het verhaal is beeldend en goed, alhoewel soms met wat ouderwets taalgebruik, geschreven. Je hoort en ziet het zich voor je ogen afspelen
Gedichten
1e prijs is gewonnen door: Andre Heijnekamp
met het gedicht:
Beste Anteros,
Ik heb de vraag gesteld
en je boek gelezen
van achteren naar voren
omdat taal geen toekomst is.
Tijdens het schrijven
sluit de hand.
Met jouw rug in mijn palm
streelde mijn vinger jouw kaft
de woorden achter omgeslagen
bladzijden zwegen niet
ik luisterde tot de horizon
een geschiedenis ver.
Ik heb een antwoord gegokt
ik heb gewacht
tot het laatste moment
om het ontstaan te zien
maar ik ken geen zin
die een behoefte verklaart
en zal daarom zwijgen.
Voor jou geen gedicht
geen gesloten handen
verscholen
achter een gebogen lichaam.
Laten wij ons begroeten
en verder gaan
enkel open armen.
Juryrapport:
De keuze van de titel maakt duidelijk dat de dichter zich heeft ingeleefd in het thema ‘andersom’. (Antheros is de Griekse God voor de wederliefde).
Een vloeiend gedicht met een prachtige opbouw en woordkeuze en een hoopvol einde. En waardige winnaar.
2e prijs is gewonnen door: Els van Wageningen
met het gedicht:
Droom
De gordijnen zijn nog dicht
Buiten schijnt de zon
in al haar kracht.
Je ligt op je zij
Je kijkt naar mij
hoe ik langzaam wakker word.
In mijn streepjespon
kom ik langzaam bij.
Ik streel je gezicht
heel teder en zacht
Je tepels worden hard en stijf
als ik er zachtjes over wrijf
De geur van je vrouwelijkheid.
Ik voel je verlangen.
Je trekt mij naar je toe,
geef mij een zoen op mijn voorhoofd
Ik voel de warmte van je lijf
alles herinnert aan de afgelopen nacht
De wind blaast door de kamer
Laat de gordijnen opwaaien
vederlicht
Ik wil nog eens uitgebreid gapen.
‘Heb je lekker geslapen?’
Ik open mijn ogen
Een lachend gezicht
dat naar mij kijkt
Vuurrood kleurt mijn wangen
want naast mij ligt
mijn echtgenoot.
De droom is vervlogen
Juryrapport:
Sfeervolle en mooie woorden in een liefdevol gedicht met een pijnlijke ‘twist’ aan het eind waardoor het helemaal binnen het thema ‘andersom’ past.
3e prijs is gewonnen door: Peter Buijs
met het gedicht:
keerpuntje
och kon hij toch het tij maar keren
verliep zijn leven omgedraaid
al jonger en steeds minder leren
niet door zijn oude dag genaaid
er groeien haren uit zijn oren
daar was hij nooit op voorbereid
zijn huid doorploegd met diepe voren
spiegelt de akker van zijn tijd
o laat de ommekeer beginnen
het verval door jeugd bedwongen
per slot woelt in zijn oude binnen
nog steeds dezelfde leuke jongen
Juryrapport:
Een puntig , goed in elkaar stekend gedicht dat een heel ander licht laat schijnen op het thema ‘Andersom’. Dit stoere, geestige en herkenbare gedicht verdient daarom volgens de jury de 3e prijs.
De jury bestond uit: Franc Craanen; hoofdredacteur 'Zij aan zij', Joan Lommen, eindredacteur Amarant en Karin Horst, specialist cultuur en evenementen Bibliotheken Eemland en schrijfster.